Home

 

De stoptrein  Zwolle Amersfoort

 

Ik zat vandaag, maandag in de trein op weg naar mijn werk. Soms kun je daar niet onder uit.  Mijn zeil- en vismaat Hans zat tegenover mij. Normaliter rijdt hij met een collega in diens auto mee naar zijn werk in Zwolle, maar die had deze week een verbouwinkje, vandaar dus.

Hans had een oude houten kano van mij cadeau gekregen, waarmee hij het weekend in de Linde voor het eerst te water was gegaan.  Bovendien had zijn zoon plannen om de Puch om te bouwen tot een sprintkanon voor de jaarlijkse sprintwedstrijden in Jubbega.  Of ik niet een  lasklusje aan het frame wilde doen. Tuurlijk. Tot Zwolle leuke gespreksstof genoeg dus. Na Zwolle moest ik me zelf maar zien te vermaken. Ik keek om mij heen.

Naast mij zaten drie mensen, een vrouw en twee mannen. De jongste van de mannen en de vrouw waren in een druk gesprek gewikkeld., waarbij de vrouw het meest aan het woord was. Ze hadden het over hun werk en dat in hun vrije tijd!

Het gesprek was goed te volgen, dat wil zeggen dat het woordelijk goed te verstaan was, maar ik had geen notie waar het over ging. Zo bleek bijvoorbeeld dat “tijdens de reorganisatie de implementatie van  de kwalitatieve netwerken uit de pas liep met de MNO-richtlijnen en dat het lastig was de urgentie in te schatten van een continu evaluatieproces waarbij de deelnemers ad hoc bevraagd werden.”  Na  drie kwartier (stoptrein!) was ik in Amersfoort, waar ik moest overstappen. 

In Amersfoort constateerde ik dat het dus mogelijk is dat twee mensen veertig minuten lang over hun werk kunnen praten en dat je als toch redelijk intelligente luisteraar niet in staat bent om na veertig minuten uit te maken wat voor werk die lieden doen, bijvoorbeeld werkzaam zijn in de kaasbranche of zo.

Ik werk zelf in het onderwijs en daar kunnen ze er ook wat van. In plaats van dat we spreken  over: “een stelletje rumoerige pubers die in de klas geen bal uitvoeren”, hebben we het nu over:  “jongvolwassenen die in een krachtige leeromgeving zoeken naar hun eigen identiteit zonder dat er sprake is van geďnternaliseerd gedragsregels die een zelfsturend effect richting een duidelijk toekomstperspectief hebben”.

Een flink aantal jaren geleden moest ik met een collega, Sybren, een echte Fries dus, naar Venlo om op een school een cursus te geven aan een docententeam. Sybren was in zijn jonge jaren stuurman geweest op één van de jagers van de Willem Barentz. Via het vormingswerk was hij het onderwijs in gerold. Samen met zijn vrouw Brechtje woonde hij op een door hem zelf gerestaureerde stevenaak in Terwispel.

Hij kon over  zijn avonturen in de walvisvaart zeer smakelijk vertellen en vooral ook met luide stem en met een bulderende lach. Twee uur lang luisterde iedereen in de coupé ademloos naar zijn schitterende verhalen over de walvisvangst . Een vrouw zuchtte bij het naderen van het station ’s Hertogenbosch: “Oh meneer, wat jammer dat ik er nu uit moet”. Of er ook mensen vergeten zijn uit te stappen weet ik niet meer, maar het zou me niets verbazen.

Nu we het toch over mijn werk hebben.  Ik werk in een gebouw dat ongeveer 15 jaar oud is. De verwarming doet het niet goed meer. Het wordt er niet warmer dan 16 graden. Stilletjes zat ik een paar dagen met een warme das om achter mijn computer te bibberen. Toen pikte ik het niet meer en rende naar de facilitair manager, die vroeger gewoon beheerder heette.

Het probleem was hem bekend, maar de oplossing was nabij.  Hoopvol keek ik hem aan: “Waarschijnlijk een nieuwe hopelijk grotere,  CV-ketel?  Dat mag ook wel na 15 jaar. Of, als tijdelijke oplossing,  misschien op elke kamer een elektrisch kacheltje of een wollen plaid?”  Maar nee!.  “Kijk, dit heb ik net binnen gekregen”, sprak de facilitair manager. Hij pakte een dikke enveloppe van zijn bureau en haalde er een dikke klapper en een CD uit.  “Kijk, de oplossing, een nieuw computerprogramma om de verwarming aan te sturen en te regelen. De conciërges gaan allemaal op cursus.”

Over vervreemding gesproken. Dan ben je blij dat je na je werk nog  even snel een rakje in de schouw of punter kunt maken. 

Werken was vroeger simpel. Je had dokters. Die maakten je beter of lieten je doodgaan. Je had boeren, die molken de koeien en verbouwden aardappels.  En je had bijvoorbeeld punterbouwers. Die bouwden punters.  Jan Harm Schreur heeft van zijn levensdagen nooit iets geďmplementeerd of een competentiematrix gemaakt. Daarom kijkt hij ook zo blij. Met die mannen kun je een mooi gesprek voeren omdat ze een echt vak hebben geleerd, waarin geen plaats is voor metageleuter.  Helaas kom je maar zelden punterbouwers tegen in de stoptrein van Zwolle naar Amersfoort.

 

 

Jan Harm Schreur  implementeert , sorry, bouwt  een punter. (voor zijn lol)